Eurojaren

column Regiobode 31 oktober 2007
In het jaar voorafgaand aan de invoering van de euro schreef ik er op deze plek een paar keer over. Misschien herinnert u zich nog hoe nauwgezet onze overheid bezig was om ons voor te bereiden op de komst van het nieuwe geld. De postbus 51 spotjes waren niet van de lucht en de volksverlakkerij die daarin school moest ik wel aan de kaak stellen. Weet u nog van het ‘dubbelprijzen’? Die periode van een half jaar waarin onze middenstand geacht werd naast de guldenprijs ook het aanstaande eurobedrag op het prijskaartje te zetten? Mooi dat een meerderheid het vertikte, want dat kostte onze koopmannen teveel tijd, lees geld. Ook de aansporing om na de komst van het nieuwe geld de tegenwaarde in guldens nog een tijdje te laten zien, werd nauwelijks opgevolgd. Volgens mij is geen enkel euroland zo snel gestopt met het aangeven van de oude prijzen dan Nederland. Ik voorspelde toen ook al dat het potje gezichtscr me van negen gulden negenennegentig ook heel snel vier euro vijfennegentig zou gaan kosten. De exacte omrekenkoers van vier euro drieënvijftig zou immers geen lekkere prijsstelling meer zijn. Toch mooi tweeënnegentig guldencenten duurder! Zo is het met al onze prijzen gegaan. We voelden het gewoon in onze portemonnee, hoe hard de toenmalige minister van financiën Gerrit Zalm het ook ontkende. Die kon bij de Albert Heijn nog geen pondje witlof afwegen zagen we op teevee en het feit dat hij nu bij ‘s lands grootste leenbank is gaan werken, vind ik veelbetekenend. We zijn er allemaal in meegezogen; in die eurogekte. Het gevoel van de waarde van je geld was compleet op de kop gezet en iedereen leerde flux de tafel van 2,20371 uit het hoofd om nog enigszins houvast te hebben bij het doen van aankopen. Inmiddels is dat bij mij aan het veranderen. Niet dat ik niet nog regelmatig de meest simpele aanschaffingen omreken. Nee, er is iets anders aan de hand. Tobberig vraag ik we wel eens af of ik in de guldentijd ook een flesje wijn aanschafte van achttien gulden tweeënzestig (acht euro vijfenveertig). Ik denk dat zoiets hoogst zelden gebeurde, maar ik weet het niet meer zeker. Mijn guldengevoel, of misschien beter mijn herinnering aan de waarde van de gulden is aan het vervagen. Datzelfde geldt voor mijn inkomen. Als ik het bedrag omreken dat deze krant maandelijks op mijn bankrekening stort, staat er ineens een som geld waarbij ik alleen nog maar verbazing voel. Zoveel verdiende ik in de guldentijd toch niet? Of wel? Ik weet het gewoon niet meer of in ieder geval niet meer zeker. Ik ben nog helemaal niet gewend aan de euro, maar ik voel wel dat ik de gulden begin te ontwennen. Ik bevind me in een nare tussenfase waarbij ik mijn aardse bezittingen niet meer op waarde weet te schatten. Ondertussen lees ik in de krant dat ‘s lands grootste incassobureau de afgelopen jaren twee keer zoveel werk heeft gekregen. Conclusie kan alleen maar zijn dat we allemaal meer zijn gaan betalen voor dingen die we nodig hebben. Daar hoort dat flesje wijn van mij niet per sé bij, maar je vergeet er wel gemakkelijk anderhalf uur door hoe bijvoorbeeld je ziektekostenverzekering is gestegen. Pinde ik vroeger ooit vijfhondervijftig gulden en drieënnegentig cent? Nooit volgens mij. Maar ik druk nu met het grootste gemak op het knopje van tweehonderdvijftig euro. Voorlopig heb ik de eerste eurojaren overleefd. Een komma tweemiljoen klanten van het incassobureau kunnen dat niet zeggen. Ik kan maar beter opslag vragen om nare telefoontjes van die mensen te voorkomen, lijkt me.
Nel Son