Sterrenlicht

column Regiobode 30 juli 2008
De bonte kermis van emoties waarop je terecht komt na het verlies van een innig geliefde, kent vele attracties. Als ik terugkijk op de periode die nu verstreken is, kost het soms moeite me te herinneren hoe ik me over het kermisterrein heb voortgesleept. Eigenlijk werd ik, als in een nare droom, van carrousel naar ballentent, van reuzenrad naar kop van jut voortgestuwd en onwillig getrakteerd op alles wat dit wrede doolhof van gevoelens te bieden had. Ik heb nog klare beelden van de roes van ogenschijnlijke kalmte waarmee ik de rituelen vormgaf en regelde voor het afscheid. Er was maar één dag nog in mijn leven die van betekenis was; wat daarna kwam, bestond niet in mijn voorstellingsvermogen. De laatste herinnering aan een samenzijn op deze wereld, heb ik samen met anderen, tot een onuitwisbare kunnen maken. De zoete koestering daarvan is nog altijd troost. Het afscheid als eerbetoon aan zoveel goede jaren samen. Het gemarkeerde begin van een leven zonder die ander. Daarop volgde het zoeken van de talloze bewijzen dat de dood een absoluut einde is. Hoe vaak nog heb ik gekeken op de plaatsen waar ik mijn geliefde gewend was aan te treffen. De lege stoel aan de keukentafel, het onbeslapen deel van ons bed. De afscheids- en welkomstgroet die we naar elkaar riepen. Een zwaaiende hand, een gebaar, een streling, een kus. Wat heb ik er naar gezocht. En nog af en toe. De dromen waaruit ik wakker werd met het vaste voornemen mijn liefste zo dadelijk als eerste te vertellen wat ik te zien had gekregen. Het brute besef dat die er niet meer was. De paar keren dat ik zijn stem naar me hoorde roepen. De stem van altijd, zo gewoon en alledaags. Met de klank dat de koffie klaar was. Of ik iets van boven voor hem wilde meebrengen. Tergend langzaam leerde ik dat er geen weg terug is als de laatste afslag is genomen. Ik kwam uit een diepe vermoeidheid die, nu het zorgen voor de ander er niet meer was, zich ten volle aan me had kunnen vergrijpen. Traag herwon ik eerste sporen van energie tot het verdriet, als in een nieuw offensief, met ongekende diepte en dimensies bezit van me nam. "De verdoving is uitgewerkt", verklaarde een goed luisteraar me. De koude alledaagsheid van het alleen staan, deed me huiveren. Wankelen. Het houvast dat routine en werk kunnen zijn, werden tegelijk de vluchtwegen, wèg van het verdriet. Veel werken, veel afleiding. Maar altijd inclusief heb besef dat de leegte er niet door zou verdwijnen, dat dit ijle lucht was waarmee ik de ballon van mijn leven probeerde op te blazen. Want steeds was er het moment van de dag dat alles stil viel en het volle gewicht van het ontbreken van mijn geliefde zich op me wierp. Ik heb moeten leren die momenten te koesteren. Heb geleerd dat ik ze kan en wil opzoeken omdat er ook zoveel zoete en mooie herinneringen in liggen besloten. Het besef veel gekregen te hebben, een goed leven samen geleefd te hebben, geeft me heel voorzichtig kracht om er de opdracht uit te accepteren dat goede leven voor mezelf te willen leven. Ik ben erfgenaam van een prachtig verbond en mag me in het licht van de stalendste ster koesteren. De avondhemel waarin ze zich aan me toont, is het bewijs dat duisternis niet verbergt, maar juist onthult. Overdag, in het volle licht, is de ster er immers ook, maar zie ik haar niet. Te weten dat ze er toch is en nooit zal weggaan, maakt het schrale leven wat zachter. Heel voorzichtig, uiterst behoedzaam leer ik me de stilte toestaan waarin ik mijn geliefde zo onnoemlijk mis.
Nel Son